Fantaseren dat je partner doodgaat, waarom doe je dat?

06 januari 2022

Ze durft het bijna niet uit te spreken. De gedachten, de fantasieën die ze almaar vaker heeft. Eerst waren ze er maar even, nu zijn het vaak scenario’s waarin ze zich dagdromend verliest. Wat als hij dood zou gaan? Weg, opgelost, voorbij. Rika Ponnet deelt verhalen uit haar relatiepraktijk.

Column voor Het Nieuwsblad

Ze vindt het erg, van zichzelf. Monsterlijk. Niet normaal. Ze wil er wat aan doen, maar weet niet hoe. Gisteren nog. Er was ’s avonds alweer een rel geweest, spanningen, roepen. Hij was zomaar ontploft, omdat een van de kinderen weende. En niet wou stoppen toen hij dat eiste. Ze ziet zijn gezicht dan verharden, zijn ogen koud en dwingend. Ze weet dat hij het ervaart als een afwijzing, als ‘niet-luisteren’, dat hij zich dan als vader niet gerespecteerd, niet gezien, niet geslaagd voelt. Een heel oud zeer dat hem tot op vandaag altijd weer parten speelt. En hoe al dat zeer dan naar buiten komt, hij de dochter bij de arm grijpt, naar de garage sleurt, lelijke dingen brult. Ze ziet en voelt dan de pijn van haar kind die haar pijn wordt, de machteloosheid die haar machteloosheid wordt. 

Na zo’n avond is ze uitgeput, verdrietig. Telkens weer is het voor haar een gevoel van verlies. Verlies van verbondenheid. Van graag zien. Van vertrouwen. En op zo’n momenten zijn die dag- en avonddromen er. De politie die aanbelt met de boodschap dat hij verongelukt is op weg naar het werk. Ze probeert zich dan voor te stellen hoe ze zou reageren. Niet zoals in films, wenen of instorten of roepen. Ze slaakt dan telkens een zucht, verlichting en opluchting. Weg, opgelost, voorbij. 

Ze probeert zich soms ook voor te stellen of ze hem zou missen. Er komt niets concreets. De avonden zonder hem met de kinderen zijn relax, fijn, bijna genieten. Geen rekening moeten houden met zijn gevoeligheden. Zijn negativiteit niet moeten ondergaan. Niet altijd opnieuw moeten zoeken naar moeizame bruggen om alsnog te verbinden. En de seks. No more. Niet moeten pleasen, niet moeten anticiperen, niet moeten behagen, geen kritiek krijgen op haar inderdaad slapper geworden borsten, haar gebrek aan opwinding, wat hij ook alweer ervaart als een afwijzing. 

Ze is blij dat ze het allemaal eens kan vertellen, hoe beschaamd ze er ook over is. Ik stel haar gerust. Dat scenario’s, fantasieën zoals de hare, veel voorkomen. Dat ze hem niet dood wenst en ook niets zal ondernemen om dat te bewerkstelligen. Dat het een mentale ontsnappingsroute is uit een situatie die zij als hopeloos, als uitzichtloos ervaart. Een route weg van het gevoel vast te zitten, te moeten ondergaan. 

Ze ontspant, huilt, zakt in elkaar. Ze weet het allemaal niet meer. Ze durft niet, ze kan niet vooruit of achteruit. We hebben het over een gevoelde permanente dreiging in haar leven. Hoe toxisch, slopend zoiets is. Ze heeft het over haar onvermogen om zich te verzetten. Bij gevaar bevriest ze onder zijn vulkanisch verbaal geweld. Ik weet en zeg dat advies niet werkt. Maar ook dat ik er zeker van ben dat er een moment komt waarop de kruik barst. Dat ze het niet meer pikt. En zal reageren, uitspreken wat voor haar niet kan, weegt, pijn doet. Ze zijn eeuwig gevoel van krenking terug op zijn bord legt, als zijn taak in het leven. En de doodsfantasieën die weg op de een of andere manier voorbereiden. 

Dat er niets moet, nu, zorgt ervoor dat ze zichzelf verontschuldigt. Ze kan ermee verder. Ze ziet een streepje hoop, hij die opnieuw naar het werk kan, hopelijk vijf dagen per week. Het zou het allemaal zoveel dragelijker maken. Op de radio hoor ik die avond in het nieuws dat twee dagen thuiswerk de winst van corona zou kunnen zijn. Zou kunnen zijn, bedenk ik.