Revolutie op de huwelijksmarkt

29 augustus 2016

Dokters die een relatie beginnen met hun verpleegster hebben hun beste tijd gehad. De rollen zijn tegenwoordig omgekeerd: voor het eerst kiezen vrouwen voor een relatie met een man die lager geschoold is en minder geld verdient. Noem het gerust een omwenteling. ‘En dat in één generatie tijd!’ Artikel van Ewald Pironet voor Knack.

 

En aan het eind trouwt het arme meisje met de prins en ze leefden nog lang en gelukkig. Enfin, zo gaat dat in sprookjes zoals Assepoester. In Hollywoodfilms slaat de zakenbankier weleens een prostituee aan de haak, zoals Richard Gere dat deed met Julia Roberts in Pretty Woman. Zo loopt het in het echte leven natuurlijk nooit - of toch bijna nooit, want trouwde de Zweedse prins Carl Philip (36) vorig jaar niet met het burgermeisje Sofia Hellqvist (30)? Maar ze was een voormalig model en poseerde ooit topless voor een mannenblad. Kreeg het verhaal toch nog wat weerhaakjes.

In zijn kantoor twee hoog aan de faculteit sociologie aan de KU Leuven zit professor Jan Van Bavel te glimlachen. Hij leidt een grootschalig Europees onderzoek over partnerkeuze. De eerste resultaten zijn opzienbarend. Ze maken een eind aan de mythes over wie voor wie kiest, en waarom. ‘Ik gebruik niet graag het woord revolutie,' zegt Van Bavel, ‘maar op het vlak van de partnerkeuze zien we een ingrijpende omwenteling. Oké, het dominante patroon is nog altijd dat mensen met een gelijkwaardig diploma met elkaar trouwen. Maar als er tussen de partners tóch een verschil in opleiding is, heeft de vrouw nu over het algemeen een hoger diploma dan de man! Vroeger was dat altijd omgekeerd. Anders gezegd: vrouwen gaan steeds vaker een relatie aan met mannen die lager geschoold zijn. In heel wat gevallen wordt de vrouw de belangrijkste kostwinner.'

Dat blijkt in de praktijk te kloppen. ‘Wat de statistieken vertellen, merk ik ook in de hoofden van de vrouwen die bij mij op consultatie komen', zegt Rika Ponnet, seksuologe die met haar kantoor Duet aan relatiebemiddeling doet. ‘Onlangs zag ik nog een vrouw van 25 jaar, een master in de geschiedenis die zich daarna nog wat omschoolde en nu opleidingen verzorgt bij een uitzendbureau. Ze vertelde me dat ze er geen problemen mee zou hebben om een relatie aan te gaan met een man met een lager diploma. Net zoals veel van haar vriendinnen, trouwens.' Ponnet weet het wel zeker: ‘Dit is radicaal anders dan pakweg tien jaar geleden. Toen was het voor vrouwen én mannen veel minder evident om een relatie te beginnen als de vrouw hoger geschoold was dan de man. Wat we nu meemaken, gaat helemaal in tegen wat altijd gedacht werd en nog vaak wordt gedacht: vrouwen zijn bijna biologisch geprogrammeerd om een relatie aan te gaan met een man die het economisch beter doet. Dat is in één generatie tijd volledig aan het keren. Ronduit indrukwekkend, je mag gerust spreken van een revolutie op de huwelijksmarkt.'

La Bamba met verpleegsters
Lange tijd was de man beter opgeleid dan zijn vrouw, en had hij ook meer kans op een goedbetaalde baan. Wetenschappers noemen die balans hypergamie. Van Bavel: ‘Dat was na de Tweede Wereldoorlog lang het klassieke patroon op de huwelijksmarkt: een man koos altijd voor een partner die hoogstens een even goed diploma had als hij, en een vrouw zocht een man die minstens even hoog was opgeleid als zij. De man was dan in het doorsnee-Vlaamse gezin ook de kostwinnaar, de vrouw was moeder bij de haard.'

Daar kwam maar langzaam verandering in. Pas vanaf de jaren 1960 en 1970 gingen vrouwen steeds vaker de rol van moeder en werkneemster combineren. Dikwijls werkten ze eerst een tijdje, dan was het tijd om kinderen op de wereld te zetten, en als die wat groter waren ging moeder weer buitenshuis aan de slag. Het zou nog duren tot begin de jaren 1980 voordat het aandeel vrouwen met kleine kinderen dat voltijds uit ging werken zou stijgen. Van Bavel: ‘Om in Vlaanderen tot de middenklasse te behoren, om in de zomer met vakantie te kunnen gaan en ook eens te kunnen gaan skiën, om je kinderen naar de muziekschool te kunnen sturen, om af en toe op restaurant te kunnen gaan, moest je wel met z'n tweeën gaan werken. Met één inkomen redde je het niet, tenzij een van beiden héél veel verdiende - en dat was zo goed als altijd de man.' Maar ook toen vrouwen meer uit gingen werken, bleef op de huwelijksmarkt het kostwinnersmodel gehandhaafd: de man was het meest geschoold en bracht het grootste deel van het gezinsbudget aan.

‘Hypergamie was lange tijd de regel', zegt Van Bavel. Het was voor mannen met een hoger diploma trouwens moeilijk om een vrouw te vinden met een gelijkwaardig diploma. Er waren toen nog niet zoveel vrouwen die bijvoorbeeld geneeskunde studeerden, bij de burgerlijk ingenieurs waren het helemaal witte merels. Het gevolg was dat de arts met een verpleegster trouwde, de manager met een secretaresse, de piloot met een stewardess. Het zijn clichés, maar ze kwamen vroeger geregeld voor.'

‘Dat veranderde pas naarmate de democratisering van het hoger onderwijs vorderde en meer vrouwen aan de universiteit gingen studeren', zegt Van Bavel. Hij haalt er even de statistieken van de KU Leuven bij: eind jaren 1960 maakten de studentes amper een kwart van de studentenpopulatie uit. Pas in 1995 waren er evenveel meisjes als jongens ingeschreven, en sindsdien stijgt hun aantal gestaag. Wat niet wegneemt dat in sommige faculteiten ook vandaag de jongens nog altijd in de meerderheid zijn; bij de ingenieurs vormen ze zelfs 80 procent van de populatie. Bij psychologie en pedagogie zijn 80 procent van de studenten dan weer meisjes.

Die feminisering van het hoger onderwijs had grote gevolgen voor de huwelijksmarkt. Laten we even dertig, veertig jaar teruggaan in de tijd. Wie toen in Leuven studeerde, zal het zich nog wel herinneren: fuiven heetten nog TD's, en op de eerste tonen van La Bamba werd steevast de kusjesdans ingezet, het begin van heel wat moois. De TD's van de verpleegsters waren erg in trek bij de mannelijke studentenpopulatie. Daar kwam je meisjes in overvloed tegen: er waren nu eenmaal nauwelijks of geen jongens die verpleegkunde studeerden. En omgekeerd waren de TD's van de burgerlijk ingenieurs populair bij de meisjes, want daar kon je een bolleboos aan de haak slaan wiens carrière en salaris verzekerd waren.

Powerkoppels
Toen steeds meer vrouwen met steeds meer succes naar de universiteit gingen en afstudeerden, veranderde de huwelijksmarkt ingrijpend: hypergamie ruimde plaats voor homogamie: beide partners hebben een gelijkwaardig diploma. De arts trouwde niet langer met een verpleegster maar met een vrouwelijke collega-arts - hun aantal was in de loop der jaren enorm toegenomen. ‘Soort zoekt soort', zeg maar. Gek is het niet: je leert elkaar kennen tijdens de lessen (en in het café), en hebt op z'n minst je studie als gemeenschappelijke interesse.

Universitairen gaan tegenwoordig vooral met universitairen, arbeiders met arbeiders. Dat blijkt ook uit cijfers van Joël Girès, socioloog aan de Université libre de Bruxelles (ULB). Vorig jaar publiceerde hij een artikel over homogamie in ons land. 66 procent van de mensen met een diploma hoger onderwijs begint een relatie met iemand die ook zo'n diploma heeft. Slechts 1 procent van hen vormt een koppel met iemand die maximaal een diploma lager onderwijs heeft. Meer dan de helft van de mensen met een diploma secundair onderwijs heeft iets met iemand die ook een diploma secundair heeft.

Dat hoogopgeleiden overwegend trouwen met hoogopge- leiden en laagopgeleiden met laagopgeleiden heeft verstrekkende gevolgen. Professor Mark Elchardus van de Vrije Universiteit Brussel (VUB) heeft het daarbij ‘over een proces van sociale segregatie': de groepen zonderen zich af, en hebben bijna geen contact meer met elkaar, ze leven in aparte werelden. Zo ontstond een nieuwe breuklijn in onze samenleving. Bovendien neemt de ongelijkheid toe: als hoogopgeleiden huwen met hoogopgeleiden kunnen ze (als ze allebei uit werken gaan en carrière maken, wat je vandaag bijna altijd ziet) het gezinsinkomen fors de hoogte injagen. Elchardus: ‘Het is verbazingwekkend met hoeveel ongelijkheden onderwijs verband houdt: de verdeling van materiële middelen, kansen op werk, gezondheid, levensverwachting, maar ook opvattingen, levenswijze, levensstijl, politieke voorkeur, participatie in het verenigingsleven, noem maar op.'

Professor Jan Latten, hoogleraar demografie aan de Universiteit van Amsterdam en hoofddemograaf bij het Nederlandse Centraal Bureau voor de Statistiek, komt tot een soortgelijke conclusie. ‘Ik zie steeds meer powerkoppels', zegt hij. De term is overgewaaid uit de Verenigde Staten, en slaat daar op het toenemende aantal elitekoppels, zoals Michelle en Barack Obama, Melinda en Bill Gates, Jay Z en Beyoncé enzovoort. Bij ons is van zo'n status geen sprake, Latten definieert powerkoppels liever als ‘relaties met twee kostwinners, die allebei hoogopgeleid zijn en toegang hebben tot een groot sociaal netwerk.' En ook hij ziet dat ze een apart wereldje vormen, ze ‘klonteren' zegt Latten: ‘Ze gaan allemaal wonen in de betere wijken rond de steden, en dan krijg je op de duur segregatie. En we weten dat de kinderen van zo'n powerkoppel een grote kans hebben om ook succesvol te worden en later uit te groeien tot partner in een powerkoppel. Het effect wordt almaar groter.'

Scheiden
50 procent van de relaties is nu homogaam. ‘Je ziet een verdere egalisering in de man-vrouwpatronen bij de partnerkeuze', zegt Rika Ponnet. Ondertussen zie je steeds meer hoger geschoolde vrouwen die samen zijn met een lager geschoolde man. Klopt, zegt professor Van Bavel, er is nu sprake van hypogamie: de mannelijke partner is lager geschoold dan de vrouwelijke. Je ziet het bij jonge mensen, maar ook bij dertigers, veertigers, vijftigers die na een echtscheiding een nieuwe relatie beginnen. Ook dan zijn vrouwen niet langer vies van een man met een lager diploma. ‘In 30 procent van de relaties hebben vrouwen nu een hoger diploma dan hun partner. Er zijn dus al meer relaties tussen een hoogopgeleide vrouw en een lager opgeleide man dan omgekeerd', aldus Van Bavel.

Er wordt vaak gedacht dat zulke relaties sneller op de klippen lopen, maar dat klopt niet, zegt Van Bavel: ‘De laagste scheidingskansen zien we als minstens één van beide partners hoogopgeleid is - man of vrouw, dát maakt niet uit. Vandaag komen de meeste echtscheidingen voor bij koppels waar beide partners laagopgeleid zijn. Ze verzeilen sneller in financiële problemen, wat druk zet op de relatie, maar het is ook mogelijk dat ze niet zo goed zijn in het omgaan met elkaar en dat de relatie stabiliteit mist.'

Je hoort ook weleens dat hoger opgeleide vrouwen moeilijk een man vinden en dikwijls single blijven. Ook met die mythe maakt Van Bavel korte metten: ‘Dat was in het verleden misschien enigszins zo, maar een hoger diploma blijkt nu voor vrouwen meer een troef dan een hindernis op de relatiemarkt. In plaats van vaker single te blijven, kiezen ze voor een lager geschoolde man.' Ponnet bevestigt vanuit haar praktijk: ‘Een hooggeschoolde vrouw hoeft echt niet te denken dat ze op de relatiemarkt een nadeel heeft, dat is echt niet zo.'

Nee, net lager opgeleiden lopen een groter risico om geen partner te vinden, meent Van Bavel. ‘Dat zagen we al langer bij mannen met een lage scholingsgraad, maar nu blijven ook meer en meer vrouwen die weinig hebben gestudeerd alleen achter. Vroeger konden ze nog trouwen met een man die wat meer had gestudeerd, maar dat lukt hen steeds minder, want de man geeft de voorkeur aan iemand van hetzelfde scholingsniveau. Een vrouw moet tegenwoordig ook voldoende geld kunnen verdienen, mannen verwachten dat ze haar deel van het budget bijdraagt. Als je weinig hebt gestudeerd, is het moeilijk om die verwachting in te lossen.'

Van Bavel benadrukt dat de sociale afkomst van de ouders nog altijd een belangrijke rol speelt bij de partnerkeuze: ‘Een vrouw uit een arbeidersgezin die een universitaire studie heeft gedaan, zal sneller een relatie met een lager opgeleide man beginnen dan een vrouw die uit de burgerij komt. Je afkomst hangt samen met de films waar je van houdt, welke boeken je leest, of je naar de opera gaat, welke "taal" je spreekt... En dat moet natuurlijk klikken met je partner, je moet met hem of haar kunnen praten.'

Hoe je het ook wendt of keert: welk diploma de vrouw behaalt, welke carrière ze zal uitbouwen en hoeveel geld ze kan verdienen speelt bij de partnerkeuze een veel grotere rol dan pakweg tien jaar geleden, zegt Van Bavel. ‘De economische rol van de vrouw in een gezin is in minder dan één generatie sterk veranderd. Het komt steeds vaker voor dat zij en niet hij de belangrijkste kostwinner is. Gezien het succes van de vrouwelijke studenten aan de universiteiten en hogescholen, en gezien het groeiende belang van de dienstensector in onze economie, zal die trend zich wellicht doorzetten.'

Dat zal grote gevolgen hebben. Maar hoe precies is nog niet duidelijk. Zullen er minder kinderen op de wereld worden gezet als de vrouw de voornaamste kostwinner is? ‘Dat is verre van zeker,' zegt Van Bavel, ‘veel zal afhangen van hoe de mannen hun rol in het gezin zullen opnemen.' Moet de overheid voor meer kinderopvang gaan zorgen? Zijn de rollen van man en vrouw nog veel meer inwisselbaar dan we altijd hebben gedacht? ‘Ik kan het ook nog niet goed inschatten', zucht Van Bavel. ‘Maar wat ik wel zeker weet: wat we nu meemaken op de huwelijksmarkt had één generatie geleden niemand durven te voorspellen.'