Waar geen wil is, is een weg

23 april 2019

Er zijn van die levenswijsheden, mantra’s die zo ingesleten zijn, dat we ze met zijn allen als een waarheid ervaren. Terwijl ze 'omdenken' ons vaak veel verder brengt. Over willen, kunnen en de weg. Column van Rika Ponnet voor Psychologies Magazine

Het kaartje is afgeschenen van de zon die het de afgelopen jaren ving, de boodschap er op nog moeilijk te lezen. Maar ik ken de mantra op het keukentablet in mijn ouderlijk huis. ‘Niet gaan, bestaat niet." Het vat in vier woorden de kern van mijn opvoeding én de tijdsgeest van mijn kindertijd samen: je kan het, als je je best doet, als je maar wil. De boodschap prijkte op schoolrapporten waar willen samenging met kunnen.

Ze hing ingekaderd in de klas. Een kruis, het koningspaar en ‘Waar een wil is, is een weg." Ik zag het lang als een dwingende, katholiek geïnspireerde mal. Het werkethos dat elk genieten herleidde tot een beloning voor geleverde inspanning. Ik weet vandaag dat er ook een geloof uit sprak in de mogelijkheden van een kind, een overtuiging dat kansen er zijn om te grijpen. Het was de logische boodschap in een cultuur van schaarste waar kiezen meestal over twee opties ging.

Vandaag is het grijpen van kansen verworden tot een verplichting om alles uit het leven te halen, het geloof in mogelijkheden uitgegroeid tot de absolute overtuiging dat datzelfde leven in al zijn facetten maakbaar is. En als ik Griet hoor praten, geldt dat ook voor de liefde. Ze is ‘fortysomething". Vijf jaar geleden vroeg ze de scheiding aan, na twintig jaar huwelijksleven in een gouden kooi.

De datingmarkt kent voor haar ondertussen geen geheimen meer, daar zorgde een stoet aan mannen voor. Ze weet het altijd direct, zegt ze, ze voelt het of het wat kan worden, al is voelen niet het juiste woord. Mannen passeren bij haar eerst via het hoofd. De drie ‘k"s" noemt ze het, kaal, klein of met jonge kinderen, dat werkt nooit. En reizen. Als ze moet kiezen tussen een leven zonder man of zonder reizen, gaat ze voor de reizen die er niet waren in de kooi waarin ze nooit meer wil.

We hebben het over de dominantie van haar ex en hoe iets dood wordt gemaakt of levenloos blijft, zolang je het probeert te controleren. Bij jezelf, bij de andere, tussen jou en de andere.

Ze beseft dat het ook haar manier van daten is, maar veranderen kan ze het niet, nog niet. Met klem maar ook met wanhoop in haar stem geeft ze aan dat als ze hard genoeg zoekt, ze uiteindelijk de ware zal vinden. Al moet ze daarvoor nog 100 mannen zien. Dat ze het thuis zo hoorde en zag: de aanhouder die wint, de wil en de weg.

Er steekt even een gevoel van weerstand de kop op bij mij, het verlangen om haar al die andere routes toe te lichten, mijn overtuiging dat het altijd opnieuw gaat over de bereidheid om de weg te bewandelen, zonder zicht op het einddoel. Omdat je op weg naar het einddoel je bestemming kan vinden. Omdat het bereikte einddoel zelden is zoals we het als reisbestemming droomden. Omdat de liefde, de geliefde waarmee we die liefde ervaren, zich op oneindig veel manieren aandient. En vooral omdat voor één optie gaan, een zee van kansen uitsluit. Maar ik voel dat ze het zo niet wil zien, omdat ze het niet kan. Vanop haar veilige plek wil ze verder de weg observeren, de passanten op die weg, van bewandelen is er voorlopig geen sprake.

Mijn opdracht omschrijft ze als de juiste kiezen, volgens haar criteria. Mijn weerstand wordt even spijt, maar ook aanvaarding, dat dit mijn weg met haar is. Niet gaan, bestaat, bedenk ik die avond. Het is het gevecht ter plaatse met jezelf. Want alleen waar geen wil is, toont zich uiteindelijk de weg naar de andere.