Dit jaar niet, schat.

01 september 2006

Voor sommige mensen is ons o zo bescheiden gemiddelde van tweemaal per week een nymfomanische nachtmerrie. Niet iedereen is evenveel met seks bezig als de doorsneeman of –vrouw in de straat. Of hoe ‘geen zin’ een leven lang ‘geen zin’ kan blijven. Artikel van Lieve Van de Velde voor ELLE.

 

Als één van de partners in de relatie op zijn of haar honger blijft zitten, krijg je na verloop van tijd toch een probleem door de afwezigheid van seksualiteit?
Ponnet:
‘Als twee mensen tevreden zijn met het leven dat ze leiden en dat is zonder seks, dan valt daar voor de rest weinig over te zeggen. En toch...Zoals ik al aangaf is seks een intieme, non-verbale manier van communiceren, een rijke lichaamstaal die zich op veel manieren kan manifesteren. Seks is bovendien een lustfunctie (zoals eten en slapen), een basis in ons functioneren, een inherent deel van ons man- of vrouw-zijn, een deel dat we niet zomaar kunnen opbergen of wegdenken. Wie zich daarvoor volledig afsluit, verliest toch een belangrijk deel van wat een liefdesrelatie tussen man en vrouw uniek maakt, waardoor die relatie te onderscheiden is van een vriendschapsrelatie of een broer-zus-relatie.  Heel vaak is het dan ook zo dat in een seksloze relatie beide partijen zich niet altijd even goed voelen bij de situatie en na verloop van tijd ook hun heil elders zoeken. Het is alleszins zinvol om stil te staan bij het waarom van ‘geen seks’. Is het een tijdelijk iets? Zijn er dieperliggende problemen of frustraties? Is er werkelijk nooit seks of intimiteit? Zo was er een tijdje geleden sprake van een nieuwe trend: in navolging van de ‘dinks’ (double income no kids) was er sprake van ‘dins’ (double income no sex). Koppels die met zijn beiden 50 uur en meer presteren voor het werk, komen uitgeput thuis en gebruiken hun bed alleen nog om te slapen. Logisch als je zoveel werkt, dat er geen energie meer is voor de rest in je leven. Een goede manier om te testen of het bij een koppel toch nog snor zit, is samen op reis gaan. In een andere omgeving, met veel rust en ontspannen activiteiten zie je vaak een opflakkering van het seksleven. Wie werkelijk nooit meer seks heeft, moet daar toch alert voor zijn.’
 
Wat versta je juist onder 'seksmoeheid'?
Ponnet:
‘Seksuologen rapporteren ook hoe langer hoe meer klachten over seksmoeheid, over seksuele burn-out, zowel van de kant van mannen als vrouwen. Heel vaak wordt deze algemeen merkbare vermindering van libido (ook bij heel jonge mensen) geassocieerd met de toenemende maatschappelijke aandacht voor seks en dan vooral voor het prestatiegerichte, scorende en nemende model ten nadele van het gevende, verlangende liefdesmodel. De verandering in de man-vrouw-verhouding kan daarin eveneens een rol spelen. In tijden waarin mannen en vrouwen op zoek zijn naar hun rol en de invulling ervan, bestaat er heel veel onzekerheid, zowel bij mannen als vrouwen, wat het seksleven zeker niet ten goede komt. Mannen ervaren vrouwen die op een ‘mannelijke’ manier invulling geven aan hun seksualiteit (lees: gericht op lust en vrijblijvend genot) als ‘bedreigend’ of zelfs castrerend. Ze voelen zich geenszins goed in de rol die vrouwen altijd werd toegedicht: die van lustobject. Toch heeft seksuele burn-out ook veel te maken met een gebrek aan mysterie, aan aantrekkingskracht. We weten het allemaal heel goed: een verboden of moeilijk bereikbare vrucht oefent een enorme aantrekkingskracht uit én is een bron van groot plezier als ze geplukt wordt. Een vrucht die altijd en overal ter beschikking is, word algauw banaal en weinig interessant. Genot en restrictie zijn twee zijden van een medaille en het één is noodzakelijk voor het ander. Je merkt dit vooral bij mensen die experimenteren met de grenzen van seksueel aanvaardbaar gedrag. Wie almaar meer impulsen nodig heeft om opgewonden te geraken, maakt seks kapot. Wie telkens opnieuw zoekt naar nieuwe kicks, naar het verleggen van grenzen (parenclubs, SM...), eindigt al eens met ‘niets’ en beleeft na verloop van tijd geen plezier meer aan seks, gaat het zien als een opgave, een dwang bijna. Het is zoals met veel andere dingen in het leven: wat altijd en overal te verkrijgen is, verliest zijn aantrekkingskracht. ‘Met mate’ lijkt de stelregel, niet vanuit een conservatieve reflex, maar gewoon omdat het ons seksleven ten goede komt.’
 
Wat betekent 'aseksualiteit'?
Ponnet:
‘Onze toenemende aandacht voor seks, de openheid, leidt er ook toe dat ‘randfenomenen’ meer en meer aandacht krijgen. Aseksualiteit is er zo eentje. Aseksualiteit is iets van alle tijden en hoeft, net als anders geaardheid, niet geproblematiseerd worden, vooral omdat aseksuelen het niet als een probleem ervaren. Een seksueel verlangen kan volledig afwezig zijn door een testosterontekort, slechte ervaringen met seks (verkrachting, incest), pijn bij het vrijen, bijwerkingen van medicatie, een depressie of stress...Toch herkennen de meeste aseksuelen zich niet in deze opsomming. Zoals gezegd: ze hebben geen probleem met seks, ze hebben een totaal gebrek aan interesse, verlangen er niet naar. Vermoedelijk heeft het te maken met het libido of beter met een gebrek eraan. ('non-libidoisme' is een synoniem voor aseksualiteit). Het libido, zeg maar de seksdrive, verschilt enorm van mens tot mens: voor de één is het nooit genoeg, de ander heeft er weinig interesse in en behoefte aan. Aseksuelen zitten in deze helemaal aan het uiteinde van het spectrum: het zegt hen werkelijk niets. Aseksuelen melden meestal nooit seksuele gevoelens gehad te hebben, ook nooit gemasturbeerd te hebben en het ook niet te missen. Dat wil niet zeggen dat ze geen gevoelens ervaren voor anderen, niet in staat zouden zijn tot een liefdesrelatie, alleen is die ontdaan van de erotische component. Aseksualiteit kan in de meeste gevallen op maar weinig begrip rekenen. Aseksuelen kunnen in een relatie veel problemen ondervinden omdat de seksuele verlangens van de partner niet in lijn liggen met de eigen verwachtingen. Aseksuelen stemmen om deze reden vaak in met seks, al vinden ze er zelf niets aan, maar ook zij hebben, net als iedereen, behoefte aan de aandacht en geborgenheid van een relatie. Aseksualiteit zou volgens Brits onderzoek (Bogaert, 2004)* terug te vinden zijn bij ongeveer 1% van de bevolking. De kernvraag is of het om een geaardheid of een stoornis gaat.  Indien het een geaardheid is (zoals homoseksualiteit) dan leidt ‘behandeling’ nergens toe, maar is er vooral nood aan acceptatie en emancipatie van de groep. Gaat het om een stoornis, dan zal verder onderzoek moeten uitwijzen wat een mogelijke therapie kan zijn. In het eerste geval kan er bovendien geen sprake zijn van een ‘toename’ (als er meer vermelding van wordt gemaakt dan is het omdat het bespreekbaar is geworden), in het tweede wel.Het belangrijkste op dit moment is dat het erkend wordt en bespreekbaar wordt gemaakt, waardoor mensen die in het geval verkeren hun ‘anders-zijn’ benoemd krijgen en er ook een plaats aan kunnen geven. Aseksualiteit mag geenszins verward worden met ‘kuisheid’ of ‘celibaat’, wat telkens bewuste keuzes zijn van individuen, meestal ingegeven door religieuze overtuigingen.’