“Toen hij zijn brief las, keek ze hem ineens aan en glimlachte”

14 maart 2022

Hij heeft geen groot onoplosbaar probleem. Hij wil deze afspraak voor zichzelf, vanuit een grote behoefte te mogen delen. Te vertellen, is een behoefte als elke andere, zeg ik. Het gaat over zijn vrouw, hun liefde, en hoe die door dementie getekend werd, maar toch bewaard bleef.

Column voor Het Nieuwsblad

Hij komt voorbereid, een doos met vergeelde brieven, uit een schooltijdperiode toen schoonschrift nog een eindterm was. Zestig jaar geleden zegt hij. Hij negentien, zij twintig. Een dansvloer, het eerste oogcontact. Ze had hem speels-preuts en dus uitdagend aangekeken. Haar ogen een zeldzaamste blauw. Terwijl hij het vertelt, wordt hij opnieuw de jongen van toen, vol verwondering.

Er was veel afstand, letterlijk meer dan vijftig kilometer, maar ook: zij studeerde, hij was arbeider. Haar ouders waren tegen. Ondanks de ondanksen lieten ze niet los. Het werd een intense briefschrijfrelatie. Vijf keer zagen ze elkaar dat eerste jaar, maar ze lazen elkaar meerdere keren per week. Lange, verlangende stukken. De hare meisjesachtig, maar ook smachtend, gedurfd voor die tijd. Hij vond het prikkelend, koesterde ze, herlas ze. En voelde zich uitgedaagd om op zijn beurt iets moois te schrijven.

Ze deelden hun dromen voor de toekomst, vertelden hun leven van alledag. De stapel groeide uit tot een roman. Ze hadden ze altijd bewaard, in dezelfde doos, eens getrouwd, mee verhuisd van huurhuis naar villaatje. Er kwamen twee dochters, het leven zoals ze het gedroomd hadden. Er waren ook de tegenslagen, ernstige gezondheidsproblemen bij zijn ouders, haar zus die op jonge leeftijd verongelukte, financiële zorgen toen hij ontslagen werd. Maar het kwam uiteindelijk goed.

De vijf kleinkinderen hadden hun leven op latere leeftijd vervuld van liefde en vrolijkheid. En tussen hen, tja, zegt hij. Hij kijkt me aan, een en al pretlicht. Wat hij vandaag al eens leest: naast elkaar leven, andere liefdes, ze hadden het nooit gekend. Altijd opnieuw vonden ze de weg. Ook de intimiteit was diep bevredigend geweest, seks altijd het feest. Hij vond haar de mooiste, het zeldzaamste blauw.

Vijf jaar geleden op de parking van de Delhaize, merkte hij de verandering. Ineens wist ze niet meer hoe je een winkelkar nam. Het gesukkel met de munt, zij die altijd zo praktisch was. Ze vergat ook de vreemdste dingen. Hoe je witte saus maakt. Ze kocht vaak hetzelfde, een schap vol witte rijst. Een onderzoek zorgde voor het keiharde verdict. Dementie.

Het ging snel, veel sneller dan voorspeld. Hij voelde hoe ze weg gleed, almaar minder “zij” werd. De eenzaamheid, de woestijn waar hij doorheen ging, zonder vooruitzicht op een mogelijke oase. Hij voelde haar niet meer, vond geen taal om bij haar binnen te geraken. Ze adviseerden muziek, de tijd van toen. Ze reageerde, wiegde mee, sprak zelfs, maar niet met hem. Die avond voelde hij zich leeg, en vanuit een verlangen om wat was weer te voelen, nam hij hun brieven uit de oude schoenendoos.

Hij las zich in slaap, nam de doos mee naar haar en las verder, intuïtief luidop. Hij herinnerde zich ineens weer grote gedeelten van wat ze schreef, omdat hij het vroeger zo vaak herlezen had. Toen hij zijn eerste brief las, keek ze hem ineens aan. Hij zag dat zij hem zag, ze glimlachte en hij zag het meisje op de dansvloer, de ogen een zeldzaam blauw. Hij nam haar hand, zette haar op zijn schoot, ze liet het toe, leunde tegen hem aan, zoals ze het ooit gedaan had, met een overgave en een vertrouwen die hem altijd zo ontroerd hadden.

Dat je in de liefde altijd een weg vindt naar de andere, en dat hij er zeker van is dat, ook bij deze vreselijke ziekte, er herinneringssporen zijn die je als geliefde kan aanspreken. En hij vindt dat ik dit moet zeggen, vertellen, omdat ik er de kans toe heb.

Hij laat me een rouwprentje, met de foto van een gelukkige vrouw vooraan en binnenin twee handgeschreven regels van haar, in antwoord op hem. En bij mij de gedachte: sommige dingen gaan nooit over.