Altijd ruzie, altijd verwijten: heeft een relatie dan nog zin?

23 december 2021

Ze zijn al jaren samen, maar het liep nog nooit zo moeilijk als vandaag. Geen dag ervaart hij als ‘gewoon’, hij heeft het gevoel een hoofdrol te spelen in een dramareeks zonder einde. Relatie-experte Rika Ponnet laat ons binnenkijken in haar praktijk.

Column voor Het Nieuwsblad

Al de pijnlijke anekdotes heeft hij opgeschreven, vanuit een grote nood ze te vertellen, voor het eerst. Hij heeft haar mails uitgeprint, de enige manier waarop ze nog communiceren, een frustratiestroom in een aanvallende taal. Hij ziet er afgetobd uit, zijn lichaam een spanningsboog. Het maakt hem ziek, haar niet-aflatende kritiek, haar dwingende, conflictueuze manier van zijn.

Hij begrijpt het ook niet, twee hooggeschoolde intelligente mensen. Professionele activiteiten die communicatieve vaardigheden op niveau vereisen. Waar dat ook lukt. En dan tussen hen, een mijnenveld, een steekspel. Het gevoel een andere taal te spreken, als in Babylonisch. De verwijten: autist maar ook narcist, emotioneel gehandicapt, niet in staat om te verbinden, beperkt, egoïst, nooit oog voor haar of haar noden. Dat als dit graag zien is, hij niet weet wat graag zien is. Dat ze niets betekent in zijn leven, als ze vertrekt er van haar niets bij hem zal overblijven.

Hij verdedigt met vuur en vlam. Alle momenten waarop hij exact deed wat zij hem verwijt niet te doen. Hij praat alsof ze er is, de lege stoel naast hem waarop zijn blik rust. Als hij uitgeraasd is, de lijst afgevinkt, luisteren we naar de vogels in mijn tuin, het ruisen van een zachte zomerregen.

Ik erken zacht de pijn die uit haar en zijn verhaal spreekt. Het gevoel elk aan een kant van diep water te staan roepen. Terwijl ik daaronder een verlangen zie. Om bij elkaar te kunnen zijn, in harmonie. Om zichzelf te mogen zijn, geaccepteerd. Dat uit al haar boodschappen spreekt ‘zie mij graag’, ‘toon dat ik belangrijk ben voor jou’. En uit zijn verdediging ‘zie mijn goede bedoelingen’, ‘ben ik goed genoeg voor jou’.

Zijn schouders zakken een aantal centimeters. Zo is het, zegt hij. Zij voelt zich klein en afgewezen, hij ook. Twee opbollende egels die zich in die stekelige cocon eenzaam en onbegrepen voelen. En dan zijn obligate vraag. Een oplossing, een remedie, al twijfelt hij. Want ze zijn allebei zo uitgeput. Ik bevestig de moeilijkheid.

De opdracht die veel energie vraagt, opbouw van vertrouwen, de bereidheid tegemoet te komen en het eigen gedrag te bekijken. Het leren spreken vanuit verlangen en niet vanuit pijn en angst. Het leren vragen van wat men echt nodig heeft. Het vervellen van alles wat stekelig is, de liefdevolle omgang met de pijn van de ander, met de eigen pijn.

Hij wil rust, hij ziet alleen een berg, waar hij niet meer op wil, oorlogsmoe is hij. En of het toch niet zo is, dat wat goed is, simpel is, geen ‘werken’. Het dan vanzelf gaat. Het als vanzelfsprekend is.

Op dat laatste pik ik in. Dat vanzelfsprekend het mooi duidt wat er nodig is om tot de verbondenheid te komen waarnaar hij zo snakt. Een veilig klimaat, een accepterende houding en communicatiestijl, graag zien. Waarbij ervan uit wordt gegaan dat wat je doet of zegt, nooit intentioneel kwetsend is. En als het niet aansluit of pijnlijk landt, het hoogstens wijst op een onvermogen om de boodschap juist te brengen. En er in zo’n relatieklimaat vanzelf gesproken wordt over wat woorden doen, over wat er verlangd wordt, over hoe dingen binnen komen, over hoe je kan bereiken of bereikt worden. En hoe vaker je dit doet als koppel, hoe vanzelfsprekender vanzelf spreken wordt.